Evolutie van de olieprijs
Ruwe olie wordt vaak het zwarte goud genoemd en als we de huidige olieprijs bekijken, is daar heel goed iets bij voor te stellen. Olie wordt almaar duurder en dat heeft niet alleen met vraag en aanbod te maken, maar ook met wereldpolitiek, conflicten en ongelukken tijdens het winnen van olie. Denk bij dat laatste maar aan het ongeluk in 2010 in de Golf van Mexico, waarbij een boorplatform explodeerde en tienduizenden liters olie de zee in vloeiden. Met als gevolg een onmiddellijke impact op de prijs van olie.
Een vat olie, inhoud 159 liter, was lange tijd goed te betalen, maar in de jaren zeventig van de vorige eeuw ging het mis: het conflict in het Midden-Oosten was daar de voornaamste oorzaak van. In 1970 betaalden we nog $1,21 voor een vat olie, in 1971 was dat $1,69 en in 1973 spraken we van een oliecrisis toen de prijs op $2,83 per vat stond. De benzine ging op de bon en de autoloze zondag deed zijn intrede. Voor zulke prijzen zouden we nu een moord doen…
Nog een paar prijzen: in 1979, tijdens de tweede oliecrisis, was de olieprijs $28,92 en toen een jaar later de oorlog tussen Iran en Irak losbarstte (Eerste Golfoorlog) ‘explodeerde’ de prijs naar $36,87! Oh, wat had iedereen toen een pijn in de buik… En oh! Wat zou iedereen graag die prijzen terug willen hebben… half september 2011 stond de prijs op $112,32 per vat!
Olie in de wereldeconomie
De hoge olieprijs heeft zijn weerslag op de wereldeconomie. Niet alleen op de benzineprijs, maar ook op de energiekosten (veel elektriciteitscentrales stoken olie), de materiaalkosten van allerlei producten en de energiekosten voor machines in fabrieken natuurlijk. Met een paar grote landen als economisch wonder – India, maar vooral China – wordt de vraag naar olie alleen maar groter. En met een conflict hier en een oorlog daar, is de productie niet altijd even stabiel. In september 2011 bijvoorbeeld, ten tijde van de burgeroorlog in Libië, werd de olieproductie daar stopgezet. Ook al om Khadaffi-aanhangers te verhinderen oliebronnen in brand te steken.
De olieproducerende landen hebben al die jaren niet stilgezeten. Elf landen hebben zich in 1961 verenigd in de OPEC. De OPEC-landen (Algerije, Indonesië, Iran, Irak, Katar, Koeweit, Libië, Nigeria, Saoedi-Arabië, Verenigde Arabische Emiraten en Venezuela) maken elk jaar afspraken over de hoeveelheid olie die ze naar boven pompen. Met bijna de helft van de olieproductie heeft de OPEC heel veel invloed op de wereldeconomie. Van de nog beschikbare olie in de grond ligt meer dan 60 procent in het Midden-Oosten, en het meeste daarvan in Saoedi-Arabië. Deze regio is nou niet de meest vreedzame ter wereld, zodat internationale diplomaten voortdurend heen en weer pendelen om borrelende conflicten zoveel mogelijk in de hand te houden. Ook ministers van Buitenlandse Zaken en staatshoofden moeten zich daar regelmatig mee bemoeien.
Schepen en gebouwen
Hoewel de grootschalige oliewinning pas in 1854 begon, in de Verenigde Staten (VS) waar bewerkte olie voornamelijk voor lampen werd gebruikt, werd ruim 5000 jaar geleden al olie gewonnen en gebruikt door de Soemeriërs. Dit volk leefde in het zuidelijk gedeelte van Mesopotamië, het huidige zuid-Irak. De Soemeriërs waren zeer ontwikkeld en waren ook de eersten die een wetgeving opstelden. De uitvinding van het wiel wordt wel aan hen toegeschreven, al zijn er andere deskundigen die naar de steppen ten noorden van de Zwarte Zee wijzen.
De Soemeriërs gebruikten de natuurlijk opwellende aardolie als ‘bindmiddel’ bij de constructie van schepen en gebouwen, maar ook als hete pek in een projectiel. Je zou hen de ‘uitvinders’ van ons asfalt kunnen noemen. Ze vermengden de olie met zand of kalk en plaveiden daar hun wegen mee. Pas in de 7e eeuw wordt olie als brandstof gebruikt; in de Middeleeuwen werd olie gebruikt om de wielen te smeren. In de 19e eeuw kwam de olie-industrie op gang. Vanwege het overschot aan lampolie moesten de producenten een goedkopere manier van transport vinden. Dat werden de oliepijpleidingen, aangelegd door John Rockefeller Sr.
Tegenwoordig moeten oliepijpleidingen door zwaarbewapende militairen worden bewaakt, zodat terroristen of vechtlustige burgers in een burgeroorlog ze niet kunnen opblazen. Olie is een kostbaar goed geworden, waarmee naar hartenlust kan worden gemanipuleerd. Zowel met de prijs als met de levering.